birchot hasjachar

afbreking: bir·chot ha·sja·char [ ? ]
  [uitspraak: bierchot hàsjàchar] [ ? ]
lidwoord: de  
herkomst: Hebreeuws [ ? ]
letterlijk: 'zegenspreuken van de ochtend';  

  een reeks brachot (bracha), gezegd aan het begin van het ochtendgebed [ ? ]

© SHJ Stichting Hebreeuwse en Jiddisje woorden in het Nederlands, 2010-