Boaz

afbreking: Bo·az [ ? ]
herkomst: Hebreeuws (transcriptieversie) / Hebreeuws-Nederlands (gangbare versie) [ ? ]
letterlijk: 'in hem is kracht';  

 
  1. een van de pilaren in de tempel van Salomo-1 (1 Kon. 7:21, 2 Kron. 3:17);
  2. rijk man uit Betlehem-1, bloedverwant van de schoonvader van Ruth-1, trouwt met Ruth-1; hun zoon wordt Obed-1, voorvader van David-1 (22x: Rt. 2:1 +, 1 Kron. 2:11 +; ook 3x in NT);
  3. mannelijke voornaam
[ ? ]

© SHJ Stichting Hebreeuwse en Jiddisje woorden in het Nederlands, 2010-