Chagai

afbreking: Cha·gai [ ? ]
  [uitspraak: Chağai] [ ? ]
herkomst: Hebreeuws (transcriptieversie) [ ? ]
letterlijk: '(geboren op een) feestdag';  

 
  1. profeet die na de ballingschap in Babel-2 aanspoort tot herbouw van de tempel; zijn woorden staan in een naar hem genoemd Bijbelboek (11x: Hag. 1:1 +, Ezra 5:1 +);
  2. een van de kleinere profetische boeken van het OT
[ ? ]

verwant: Hebreeuws-Nederlands (gangbare versie): Haggai [ ? ]

© SHJ Stichting Hebreeuwse en Jiddisje woorden in het Nederlands, 2010-