chameets

afbreking: cha·meets [ ? ]
lidwoord: het  
herkomst: Hebreeuws [ ? ]
letterlijk: 'het gezuurde, gegiste';  

 
  1. gegist deeg van een van de vijf graansoorten van het oude Israël, genoemd in de halacha (tarwe, emerkoren, spelt, gerst en tweerijige gerst);
  2. voedsel dat gegist deeg bevat (niet-geoorloofd op Pesach)
[ ? ]

verwant: Asjkenazisch Hebreeuws: chomeits;
Jiddisj: chomets;
[ ? ]
zie ook: bedikat chameets, bitoel chameets, mechirat chameets  

© SHJ Stichting Hebreeuwse en Jiddisje woorden in het Nederlands, 2010-