chanoekia

chanoekia (1)

afbreking: cha·noe·kia [ ? ]
lidwoord: de  
meervoud: cha·noe·ki·ot  
herkomst: Hebreeuws [ ? ]

  chanoekalamp (zie: Chanoeka), vaak een kandelaar, voor acht lichten plus een extra licht waarmee de andere worden aangestoken (sjamasj) [ ? ]

verwant: Hebreeuws-Nederlands: chanoekia(2) [ ? ]
zie ook: menora  

chanoekia (2)

afbreking: cha·noe·kia [ ? ]
lidwoord: de  
meervoud: cha·noe·kia's  
herkomst: Hebreeuws-Nederlands [ ? ]

  chanoekalamp (zie: Chanoeka(2)), vaak een kandelaar, voor acht lichten plus een extra licht waarmee de andere worden aangestoken (sjamasj) [ ? ]

verwant: Hebreeuws: chanoekia [ ? ]
zie ook: chanoekilje, menora  

© SHJ Stichting Hebreeuwse en Jiddisje woorden in het Nederlands, 2010-