Chava

afbreking: Cha·va, Cha·va [ ? ]
  [uitspraak: Chàva, Chàva] [ ? ]
herkomst: Hebreeuws (transcriptieversie) [ ? ]
letterlijk: volgens Gen. 3:20 'levende';  

 
  1. vrouw van Adam-1, moeder van Kaïn-1, Abel-1 en Set (Gen. 3:20, 4:1; Griekse vorm 2x in NT);
  2. vrouwelijke voornaam
[ ? ]

verwant: Hebreeuws-Nederlands (gangbare versie): Eva [ ? ]

© SHJ Stichting Hebreeuwse en Jiddisje woorden in het Nederlands, 2010-