cherub

afbreking: che·rub [ ? ]
lidwoord: de  
meervoud: che·rubs  
herkomst: Hebreeuws-Nederlands (gangbare versie) [ ? ]

 
  1. deels menselijk, deels dierlijk wezen met vleugels en één of meer gezichten waarvan de functie verband houdt met het goddelijke (91x: Gen. 3:24, Ex. 25:18 +, Num. 7:89, 1 Sam. 4:4, 2 Sam. 22:11, 1 Kon. 6:23 +, 2 Kon. 19:15, Jes. 37:16, Ez. 9:3 +, Ps. 18:11 +, 1 Kron. 13:6 +, 2 Kron. 3:7 +);
  2. plaats in Babel-2 vanwaar Joden terugkeren uit de ballingschap (Ezra 2:59, Neh. 7:61)
[ ? ]

verwant: Hebreeuws (transcriptieversie): keroev [ ? ]

© SHJ Stichting Hebreeuwse en Jiddisje woorden in het Nederlands, 2010-