Chilkia

Chilkia (1)

afbreking: Chil·kia [ ? ]
herkomst: Hebreeuws (transcriptieversie) [ ? ]
letterlijk: 'mijn deel is de Heer';  

 
  1. vader van Eljakim-1; andere naam: Chilkiahu-1 (2 Kon. 18:37);
  2. hogepriester in de tijd van koning Josia van Juda-4; andere naam: Chilkiahu-2 (7x: 2 Kon. 22:8 +, Ezra 7:1, 1 Kron. 5:39, 2 Kron. 35:8);
  3. vader van Gemarja (Jer. 29:3);
  4. een van degenen die naast Ezra-1 staan bij het voorlezen van de Tora (Neh. 8:4);
  5. zoon van Mesullam-11, vader van Seraja of Azarja-16, priester (Neh. 11:11, 1 Kron. 9:11);
  6. priester die met Zerubbabel terugkeert uit de ballingschap in Babel-2 (Neh. 12:7, 12:21);
  7. afstammeling van Levi-1, nakomeling van Merari, zoon van Amsi, voorvader van de zanger Etam (1 Kron. 6:30)
[ ? ]

verwant: Hebreeuws-Nederlands (gangbare versie): Chilkia(2) [ ? ]

Chilkia (2)

afbreking: Chil·kia [ ? ]
herkomst: Hebreeuws-Nederlands (gangbare versie) [ ? ]
letterlijk: 'mijn deel is de Heer';  

 
  1. vader van Eljakim-1; andere naam: Chilkiahu-1 (2 Kon. 18:37);
  2. hogepriester in de tijd van koning Josia van Juda-4; andere naam: Chilkiahu-2 (7x: 2 Kon. 22:8 +, Ezra 7:1, 1 Kron. 5:39, 2 Kron. 35:8);
  3. vader van Gemarja (Jer. 29:3);
  4. een van degenen die naast Ezra(2)-1 staan bij het voorlezen van de Tora (Neh. 8:4);
  5. zoon van Mesullam-11, vader van Seraja of Azarja(2)-16, priester (Neh. 11:11, 1 Kron. 9:11);
  6. priester die met Zerubbabel terugkeert uit de ballingschap in Babel-2 (Neh. 12:7, 12:21);
  7. afstammeling van Levi-1, nakomeling van Merari(2), zoon van Amsi, voorvader van de zanger Etam (1 Kron. 6:30)
[ ? ]

verwant: Hebreeuws (transcriptieversie): Chilkia [ ? ]
zie ook: Chilkiahu, Chilkia  

© SHJ Stichting Hebreeuwse en Jiddisje woorden in het Nederlands, 2010-