Chiram

Chiram (1)

afbreking: Chi·ram [ ? ]
herkomst: Hebreeuws (transcriptieversie) [ ? ]
letterlijk: 'mijn broer is verheven';  

 
  1. koning van Tyrus, met wie Salomo-1 handel drijft; andere namen: Chirom-1, Churam-2 (16x: 2 Sam. 5:11, 1 Kon. 5:15 +);
  2. ambachtsman uit Tyrus; maakt brons- en koperwerk voor de tempel; andere namen: Chirom-2, Churam-3, Churam-Abi (1 Kon. 7:13, 7:40, 7:45)
[ ? ]

verwant: Hebreeuws-Nederlands (gangbare versie): Chiram(2) [ ? ]

Chiram (2)

afbreking: Chi·ram [ ? ]
herkomst: Hebreeuws-Nederlands (gangbare versie) [ ? ]
letterlijk: 'mijn broer is verheven';  

 
  1. koning van Tyrus, met wie Salomo-1 handel drijft; andere namen: Chirom(2)-1, Churam-2 (16x: 2 Sam. 5:11, 1 Kon. 5:15 +);
  2. ambachtsman uit Tyrus; maakt brons- en koperwerk voor de tempel; andere namen: Chirom(2)-2, Churam-3, Churam-Abi (1 Kon. 7:13, 7:40, 7:45)
[ ? ]

verwant: Hebreeuws (transcriptieversie): Chiram [ ? ]

© SHJ Stichting Hebreeuwse en Jiddisje woorden in het Nederlands, 2010-