Chizkia

afbreking: Chiz·kia [ ? ]
herkomst: Hebreeuws (transcriptieversie) [ ? ]
letterlijk: 'mijn kracht is de Heer';  

 
  1. zoon en opvolger van koning Achaz-1 van Juda-4; andere namen: Chizkiahu, Jechizkia-1, Jechizkiahu-1 (9x: 2 Kon. 18:1 +, Spr. 25:1; Griekse vorm 2x in NT);
  2. voorvader van de profeet Sefanja-2 (Sef. 1:1);
  3. leider van het volk die met Zerubbabel terugkeert uit de ballingschap in Babel-2; verbindt zich om de Tora te onderhouden; andere naam: Jechizkia-2 (Neh. 7:21, 10:18);
  4. nakomeling van David-1, tweede van de drie zonen van Nearja (1 Kron. 3:23);
  5. mannelijke voornaam
[ ? ]

verwant: Hebreeuws-Nederlands (gangbare versie): Chizkia, Hizkia [ ? ]
zie ook: Chizkiahoe, Jechizkia, Jechizkiahoe  

© SHJ Stichting Hebreeuwse en Jiddisje woorden in het Nederlands, 2010-