chover

afbreking: cho·ver [ ? ]
lidwoord: de  
herkomst: Asjkenazisch Hebreeuws [ ? ]

 
  1. vriend, makker;
  2. lid (synagogale eretitel voor iemand die zich in het joodse leven heeft onderscheiden)
[ ? ]

verwant: Hebreeuws: chaveer;
Jiddisj: chavver;
Bargoens: gabber
[ ? ]

© SHJ Stichting Hebreeuwse en Jiddisje woorden in het Nederlands, 2010-