Chur

afbreking: Chur [ ? ]
herkomst: Hebreeuws-Nederlands (gangbare versie) [ ? ]

 
  1. degene die samen met Aäron-1 de armen van Mozes-1 ondersteunt bij de strijd tegen de Amalekieten (Ex. 17:10, 17:12, 24:14);
  2. afstammeling van Juda-1, grootvader van Besaleël-1; mogelijk identiek met Chur-5 (4x: Ex. 31:2 +, 2 Kr. 1:5);
  3. een van de vijf koningen van Midjan(2) (Num. 31:8, Joz. 13:21);
  4. zoon van Refaja, die meewerkt aan de herbouw van de muur van Jeruzalem-1 (Neh. 3:9);
  5. zoon van Kaleb en Efrat(2)-2; mogelijk identiek met Chur-2 (5x: 1 Kron. 2:19 +)
[ ? ]

verwant: Hebreeuws (transcriptieversie): Choer [ ? ]

© SHJ Stichting Hebreeuwse en Jiddisje woorden in het Nederlands, 2010-