Daniël, Danieel

afbreking: Da·ni·ël, Da·ni·eel [ ? ]
herkomst: Hebreeuws (transcriptieversie) [ ? ]
letterlijk: '(mijn) rechter is God';  

 
  1. wijze naast Noach-1 en Job-1 (Ez. 14:14, 14:20, 28:3);
  2. afstammeling van Juda-1 die onder koning Jojakim van Juda-4 naar Babel-2 wordt gevoerd, waar hij aan het koninklijke hof komt; andere naam: Beltesassar (74x: Dan. 1:6 +);
  3. een van de priesters die zich na terugkeer uit de ballingschap in Babel-2 verbinden om de Tora te onderhouden (Ezra 8:2, Neh. 10:7);
  4. zoon van David-1 en Abigaïl-1 (1 Kron. 3:1);
  5. boek van het OT waarin Daniël-2 hoofdpersoon is;
  6. mannelijke voornaam
[ ? ]

verwant: Hebreeuws-Nederlands (gangbare versie): Daniël [ ? ]
spelling: 'Daniël, Danieel' is een weergavevariant (zie help 7.1.5)  

© SHJ Stichting Hebreeuwse en Jiddisje woorden in het Nederlands, 2010-