Eden

afbreking: Eden [ ? ]
herkomst: Hebreeuws (transcriptieversie) / Hebreeuws-Nederlands (gangbare versie) [ ? ]

 
  1. plaats met tuin waarin de Heer de mens plaatst (14x: Gen. 2:8 +, Jes. 51:3, Ez. 28:13 +, Joël 2:3);
  2. afstammeling van Levi-1, zoon van Joach, in de tijd van koning Jechizkia van Juda-4 (2 Kron. 29:12, 2 Kron. 31:15)
[ ? ]

zie ook: Gan Eden  

© SHJ Stichting Hebreeuwse en Jiddisje woorden in het Nederlands, 2010-