Edom

Edom (1)

afbreking: Edom [ ? ]
  [uitspraak: Èdom] [ ? ]
herkomst: Hebreeuws (transcriptieversie) [ ? ]
letterlijk: 'rood';  

 
  1. bijnaam van de oudste zoon van Isaak-1 en Rebekka-1, tweelingbroer van Jakob-1, die hem het eerstgeboorterecht ontneemt; andere naam: Esau-1 (o.a. Gen. 25:30; 1-2: 100x, zie nr. 2);
  2. naar hem genoemd volk en gebied van dit volk, vooral het gebergte van Seïr-2; andere naam: Esau-2 (o.a. Gen. 36:8; nr. 1-2: 100x: Gen. 25:30 +, Ex. 15:15, Num. 20:14 +, Joz. 15:1 +, Recht. 5:4 +, 1 Sam. 14:47, 2 Sam. 8:14, 1 Kon. 9:26 +, 2 Kon. 3:8 +, Jes. 11:14 +, Jer. 9:25 +, Ez. 25:12 +, Joël 4:19, Am. 1:6 +, Ob. 1 +, Mal. 1:4, Ps. 60:2 +, Klaagl. 4:21 +, Dan. 11:41, 1 Kron. 1:43 +, 2 Kron. 8:17 +)
[ ? ]

  Edom  
verwant: Hebreeuws-Nederlands (gangbare versie): Edom(2) [ ? ]
zie ook: Edomiet, Oveed Edom  

Edom (2)

afbreking: Edom [ ? ]
herkomst: Hebreeuws-Nederlands (gangbare versie) [ ? ]
letterlijk: 'rood';  

 
  1. bijnaam van de oudste zoon van Isaak-1 en Rebekka-1, tweelingbroer van Jakob-1, die hem het eerstgeboorterecht ontneemt; andere naam: Esau-1 (o.a. Gen. 25:30; nr. 1-2: 100x, zie nr. 2);
  2. naar hem genoemd volk en gebied van dit volk, vooral het gebergte van Seïr-2; andere naam: Esau-2 (o.a. Gen. 36:8; nr. 1-2: 100x: Gen. 25:30 +, Ex. 15:15, Num. 20:14 +, Joz. 15:1 +, Recht. 5:4 +, 1 Sam. 14:47, 2 Sam. 8:14, 1 Kon. 9:26 +, 2 Kon. 3:8 +, Jes. 11:14 +, Jer. 9:25 +, Ez. 25:12 +, Joël 4:19, Am. 1:6 +, Ob. 1 +, Mal. 1:4, Ps. 60:2 +, Klaagl. 4:21 +, Dan. 11:41, 1 Kron. 1:43 +, 2 Kron. 8:17 +)
[ ? ]

verwant: Hebreeuws (transcriptieversie): Edom [ ? ]
zie ook: Edomiet, Obed-Edom  

© SHJ Stichting Hebreeuwse en Jiddisje woorden in het Nederlands, 2010-