Efrajim

afbreking: Efra·jim [ ? ]
  [uitspraak: Èfra·jiem] [ ? ]
herkomst: Hebreeuws (transcriptieversie) [ ? ]
letterlijk: 'vruchtbaar (land)', volgens Gen. 41:52 '(God heeft) vruchtbaar gemaakt';  

 
  1. oudste van de twee zonen van Jozef-1 en Asnat (o.a. Gen. 41:52; nr. 1-3: 178x, zie nr. 3);
  2. uit hem voortgekomen stam van Israël-2 (o.a. Num. 1:33; nr. 1-3: 178x, zie nr. 3);
  3. gebied van deze stam, in het midden van het Bijbelse land Israël-3 (o.a. Deut. 34:2; nr. 1-3: 178x: Gen. 41:52 +, Num. 1:10 +, Deut. 33:17 +, Joz. 14:4 +, Recht. 1:29 +, 1 Sam. 1:1 +, 2 Sam. 2:9 +, 1 Kon. 4:8 +, 2 Kon. 5:22 +, Jes. 7:2 +, Jer. 4:15, Ez. 37:16 +, Hos. 4:17 +, Ob. 19, Zach. 9:10 +, Ps. 60:9 +, Neh. 8:16 +, 1 Kron. 6:51 +, 2 Kron. 13:4 +);
  4. plaats bij Baäl-Chasor (2 Sam. 13:23);
  5. bos waar David-1 en Absalom-1 strijden, vermoedelijk ten oosten van de Jordaan (2 Sam. 18:6);
  6. mannelijke voornaam
[ ? ]

  Efrajim  
verwant: Hebreeuws-Nederlands (gangbare versie): Efraïm [ ? ]

© SHJ Stichting Hebreeuwse en Jiddisje woorden in het Nederlands, 2010-