Efrat

Efrat (1)

afbreking: Efrat [ ? ]
  [uitspraak: Èfrat] [ ? ]
herkomst: Hebreeuws (transcriptieversie) [ ? ]
letterlijk: 'vruchtbaar (land)';  

 
  1. plaats in het gebied van Juda-3, ten zuiden van Jeruzalem-1; andere namen: Betlehem-1, Efrata-1 (Gen. 48:7);
  2. vrouw van Kaleb, moeder van Chur-5; andere naam: Efrata-2 (1 Kron. 2:19);
  3. joodse nederzetting bij het huidige Betlehem;
  4. vrouwelijke voornaam
[ ? ]

verwant: Hebreeuws-Nederlands (gangbare versie): Efrat(2) [ ? ]

Efrat (2)

afbreking: Efrat [ ? ]
herkomst: Hebreeuws-Nederlands (gangbare versie) [ ? ]
letterlijk: 'vruchtbaar (land)';  

 
  1. plaats in het gebied van Juda-3, ten zuiden van Jeruzalem-1; andere namen: Betlehem-1, Efrata(2)-1 (Gen. 48:7);
  2. vrouw van Kaleb, moeder van Chur-5; andere naam: Efrata(2)-2 (1 Kron. 2:19);
  3. joodse nederzetting bij het huidige Betlehem
[ ? ]

verwant: Hebreeuws (transcriptieversie): Efrat [ ? ]

© SHJ Stichting Hebreeuwse en Jiddisje woorden in het Nederlands, 2010-