Elam

Elam (1)

afbreking: Elam [ ? ]
herkomst: Hebreeuws (transcriptieversie) [ ? ]

 
  1. oudste zoon van Sem, stamvader van de Elamieten (Gen. 10:22, 1 Kron. 1:17);
  2. uit hem voortgekomen volk en gebied van dat volk, ten oosten van de benedenloop van de Tigris (15x: Gen. 14:1 +, Jes. 11:11 +, Jer. 25:25 +, Ez. 32:24, Dan. 8:2);
  3. hoofd van een familie die terugkeert uit de ballingschap in Babel-2 (5x: Ezra 2:7 +, Neh. 7:12);
  4. een van de hoofden van het volk die zich na terugkeer uit de ballingschap in Babel-2 verbinden om de Tora te onderhouden (Neh. 10:15);
  5. priester, betrokken bij de inwijding van de muur van Jeruzalem-1 (Neh. 12:42);
  6. afstammeling van Benjamin-1, zoon van Sasak (1 Kron. 8:24);
  7. poortwachter, vijfde zoon van Meselemja (1 Kron. 26:3)
[ ? ]

  Elam  
verwant: Hebreeuws-Nederlands (gangbare versie): Elam(2) [ ? ]

Elam (2)

afbreking: Elam [ ? ]
herkomst: Hebreeuws-Nederlands (gangbare versie) [ ? ]

 
  1. oudste zoon van Sem, stamvader van de Elamieten (Gen. 10:22, 1 Kron. 1:17);
  2. uit hem voortgekomen volk en gebied van dat volk, ten oosten van de benedenloop van de Tigris (15x: Gen. 14:1 +, Jes. 11:11 +, Jer. 25:25 +, Ez. 32:24, Dan. 8:2);
  3. hoofd van een familie die terugkeert uit de ballingschap in Babel-2 (5x: Ezra 2:7 +, Neh. 7:12);
  4. een van de hoofden van het volk die zich na terugkeer uit de ballingschap in Babel-2 verbinden om de Tora te onderhouden (Neh. 10:15);
  5. priester, betrokken bij de inwijding van de muur van Jeruzalem-1 (Neh. 12:42);
  6. afstammeling van Benjamin-1, zoon van Sasak (1 Kron. 8:24);
  7. poortwachter, vijfde zoon van Meselemja (1 Kron. 26:3)
[ ? ]

verwant: Hebreeuws (transcriptieversie): Elam [ ? ]

© SHJ Stichting Hebreeuwse en Jiddisje woorden in het Nederlands, 2010-