Elazar

afbreking: Ela·zar [ ? ]
  [uitspraak: Èla·zar] [ ? ]
herkomst: Hebreeuws (transcriptieversie) [ ? ]
letterlijk: 'God heeft geholpen';  

 
  1. priester, derde zoon van Aäron-1 (63x: Ex. 6:23 +, Lev. 10:6 +, Num. 3:2 +, Deut. 10:6, Joz. 14:1 +, Recht. 20:28, Ezra 7:5, 1 Kron. 5:29 +);
  2. zoon van Abinadab-1; draagt zorg voor de verbondsark (1 Sam. 7:1);
  3. zoon van Dodo, held van David-1 (2 Sam. 23:9, 1 Kron. 11:12);
  4. zoon van Pinechas-3; doet dienst bij de tempel (Ezra 8:33);
  5. zoon van Paros, getrouwd met een uitheemse vrouw (Ezra 10:25);
  6. priester, betrokken bij de inwijding van de muur van Jeruzalem-1 (Neh. 12:42);
  7. Leviet-2, zoon van Machli (1 Kron. 23:21, 23:22, 24:28)
[ ? ]

verwant: Hebreeuws-Nederlands (gangbare versie): Eleazar [ ? ]

© SHJ Stichting Hebreeuwse en Jiddisje woorden in het Nederlands, 2010-