Elia

Elia (1)

afbreking: Elia [ ? ]
herkomst: Hebreeuws (transcriptieversie) [ ? ]
letterlijk: 'mijn God is de Heer';  

 
  1. profeet uit Tisbe in de tijd van koning Achab-1 van Israël-4; strijdt tegen de Baälsdienst, vaart in een vurige wagen ten hemel; andere naam: Eliahu-1 (5x: 2 Kon. 1:3 +, Mal. 3:23; Griekse vorm 29x in NT);
  2. zoon van Charim, getrouwd met een uitheemse vrouw (Ezra 10:21);
  3. zoon van Elam-3, getrouwd met een uitheemse vrouw (Ezra 10:26);
  4. afstammeling van Benjamin-1, zoon van Jerocham (1 Kron. 8:27);
  5. mannelijke voornaam
[ ? ]

verwant: Hebreeuws-Nederlands (gangbare versie): Elia(2) [ ? ]

Elia (2)

afbreking: Elia [ ? ]
herkomst: Hebreeuws-Nederlands (gangbare versie) [ ? ]
letterlijk: 'mijn God is de Heer';  

 
  1. profeet uit Tisbe in de tijd van koning Achab-1 van Israël-4; strijdt tegen de Baälsdienst, vaart in een vurige wagen ten hemel; andere naam: Eliahu-1 (5x: 2 Kon. 1:3 +, Mal. 3:23; ook 29x in NT);
  2. zoon van Charim, getrouwd met een uitheemse vrouw (Ezra 10:21);
  3. zoon van Elam(2)-3, getrouwd met een uitheemse vrouw (Ezra 10:26);
  4. afstammeling van Benjamin-1, zoon van Jerocham (1 Kron. 8:27);
  5. mannelijke voornaam
[ ? ]

verwant: Hebreeuws (transcriptieversie): Elia [ ? ]
spelling: spelling elders: Elias  
zie ook: Eliahu, Elia  

© SHJ Stichting Hebreeuwse en Jiddisje woorden in het Nederlands, 2010-