Eliahu, Elia

afbreking: Eli·a·hu, Elia [ ? ]
herkomst: Hebreeuws-Nederlands (gangbare versie) [ ? ]
letterlijk: 'mijn God is de Heer';  

 
  1. profeet in de tijd van koning Achab-1 van Israël-4; strijdt tegen de Baälsdienst, vaart in een vurige wagen ten hemel; andere naam: Elia(2)-1 (63x: 1 Kon. 17:1 +, 2 Kon. 1:10 +, 2 Kron. 21:12; ook 29x in NT);
  2. mannelijke voornaam
[ ? ]

verwant: Hebreeuws (transcriptieversie): Eliahoe [ ? ]
spelling: 'Eliahu' wordt in de meeste vertalingen 'Elia(2)'; spelling elders: Elias  

© SHJ Stichting Hebreeuwse en Jiddisje woorden in het Nederlands, 2010-