Eliav

afbreking: Eli·av [ ? ]
herkomst: Hebreeuws (transcriptieversie) [ ? ]
letterlijk: 'mijn God is vader';  

 
  1. zoon van Chelon, hoofdman van de stam Zebulon-2 (5x: Num. 1:9 +);
  2. afstammeling van Ruben-1, vader van Datan en Abiram-1 (5x: Num. 16:1 +, Deut. 11:6);
  3. afstammeling van Juda-1, oudste zoon van Isaï, broer van David-1; andere naam: Elihu-5 (6x: 1 Sam. 16:6 +, 1 Kron. 2:13, 2 Kron. 11:18);
  4. afstammeling van Levi-1, zoon van Nachat, vader van Jerocham (1 Kron. 6:12);
  5. afstammeling van Gad-1; sluit zich in Siklag aan bij David-1 (1 Kron. 12:10);
  6. afstammeling van Levi-1, die dienst doet bij het overbrengen van de verbondsark naar Jeruzalem-1 (1 Kron. 15:18, 15:20, 16:5)
[ ? ]

verwant: Hebreeuws-Nederlands (gangbare versie): Eliab [ ? ]

© SHJ Stichting Hebreeuwse en Jiddisje woorden in het Nederlands, 2010-