Eliëzer

afbreking: Eli·ë·zer [ ? ]
herkomst: Hebreeuws (transcriptieversie) / Hebreeuws-Nederlands (gangbare versie) [ ? ]
letterlijk: '(mijn) God is hulp' (zie Ex. 18:4);  

 
  1. dienstknecht van Abraham-1, afkomstig uit Damascus (Gen. 15:2);
  2. zoon van Mozes-1 en Sippora (5x: Ex. 18:4, 1 Kron. 23:15 +);
  3. een van degenen die met Ezra-1 terugkeren uit de ballingschap in Babel-2, afgezant naar Iddo (Ezra 8:16);
  4. priester, getrouwd met een uitheemse vrouw (Ezra 10:18);
  5. Leviet-2, getrouwd met een uitheemse vrouw (Ezra 10:23);
  6. zoon van Charim, getrouwd met een uitheemse vrouw (Ezra 10:31);
  7. afstammeling van Benjamin-1, zoon van Becher (1 Kron. 7:8);
  8. priester die trompet speelt bij de komst van de verbondsark in Jeruzalem-1 (1 Kron. 15:24);
  9. afstammeling van Ruben-1, zoon van Zichri-9 (1 Kron. 27:16);
  10. zoon van Dodawahu; profeteert tegen koning Jehosafat-3 van Juda-4 (2 Kron. 20:37)
[ ? ]

zie ook: Israël ben Eliëzer, Pirkee de Rabbi Eliëzer  

© SHJ Stichting Hebreeuwse en Jiddisje woorden in het Nederlands, 2010-