Elifaz

Elifaz (1)

afbreking: Eli·faz [ ? ]
herkomst: Hebreeuws (transcriptieversie) [ ? ]

 
  1. zoon van Esau-1 en Ada-2 (9x: Gen. 36:4 +, 1 Kron. 1:35 +);
  2. een van de vrienden van Job-1, een Temaniet (6x: Job 2:11 +)
[ ? ]

verwant: Hebreeuws-Nederlands (gangbare versie): Elifaz(2) [ ? ]

Elifaz (2)

afbreking: Eli·faz [ ? ]
herkomst: Hebreeuws-Nederlands (gangbare versie) [ ? ]

 
  1. zoon van Esau-1 en Ada(2)-2 (9x: Gen. 36:4 +, 1 Kron. 1:35 +);
  2. een van de vrienden van Job-1, een Temaniet (6x: Job 2:11 +)
[ ? ]

verwant: Hebreeuws (transcriptieversie): Elifaz [ ? ]

© SHJ Stichting Hebreeuwse en Jiddisje woorden in het Nederlands, 2010-