Elimelech

afbreking: Eli·me·lech [ ? ]
herkomst: Hebreeuws (transcriptieversie) / Hebreeuws-Nederlands (gangbare versie) [ ? ]
letterlijk: '(mijn) God is koning';  

  afstammeling van Efraïm-1, uit Betlehem-1, man van Noömi-1, schoonvader van Ruth-1 (6x: Rt. 1:2 +) [ ? ]

© SHJ Stichting Hebreeuwse en Jiddisje woorden in het Nederlands, 2010-