Elisa

afbreking: Eli·sa [ ? ]
herkomst: Hebreeuws-Nederlands (gangbare versie) [ ? ]
letterlijk: 'God heeft bevrijd';  

  zoon van Safat, profeet, opvolger van Elia(2)-1 (58x: 1 Kon. 19:16 +, 2 Kon. 2:1 +) [ ? ]

verwant: Hebreeuws (transcriptieversie): Elisja [ ? ]
spelling: spelling elders: Eliseüs  

© SHJ Stichting Hebreeuwse en Jiddisje woorden in het Nederlands, 2010-