Eljakim

afbreking: El·ja·kim [ ? ]
herkomst: Hebreeuws-Nederlands (gangbare versie) [ ? ]
letterlijk: 'God doet staan';  

 
  1. zoon van Chilkia(2)-1, hofmeester bij koning Hizkia (9x: 2 Kon. 18:18 +, Jes. 22:20 +);
  2. zoon en tweede opvolger van koning Josia van Juda-4; farao Necho verandert zijn naam van Eljakim in Jojakim (2 Kon. 23:34, 2 Kron. 36:4);
  3. priester, trompetspeler bij de inwijding van de muur van Jeruzalem-1 (Neh. 12:41)
[ ? ]

verwant: Hebreeuws (transcriptieversie): Eljakiem [ ? ]

© SHJ Stichting Hebreeuwse en Jiddisje woorden in het Nederlands, 2010-