Eljasib

afbreking: El·ja·sib [ ? ]
herkomst: Hebreeuws-Nederlands (gangbare versie) [ ? ]
letterlijk: 'God moge doen terugkeren';  

 
  1. hogepriester, vader van Jochanan(2)-3, bij wie Ezra(2)-1 zich een nacht terugtrekt (Ezra 10:6, Neh. 12:22, 12:23);
  2. zanger, getrouwd met een uitheemse vrouw (Ezra 10:24);
  3. zoon van Zattu, getrouwd met een uitheemse vrouw (Ezra 10:27);
  4. zoon van Bani, getrouwd met een uitheemse vrouw (Ezra 10:36);
  5. hogepriester; werkt mee aan de herbouw van de muur van Jeruzalem-1 (7x: Neh. 3:1 +);
  6. priester, verantwoordelijk voor tempelvertrekken (Neh. 13:4, 13:7);
  7. afstammeling van David-1, zoon van Eljoënai (1 Kron. 3:24);
  8. priester, hoofd van de elfde priestergroep (1 Kron. 24:12)
[ ? ]

verwant: Hebreeuws (transcriptieversie): Eljasjiev [ ? ]

© SHJ Stichting Hebreeuwse en Jiddisje woorden in het Nederlands, 2010-