Elkana

Elkana (1)

afbreking: El·ka·na [ ? ]
herkomst: Hebreeuws (transcriptieversie) [ ? ]
letterlijk: 'God heeft geschapen';  

 
  1. enkele Levieten-2, afstammend van Korach-3, horend tot de voorouders van Elkana-2, de vader van Samuel-1 (7x: Ex. 6:24, 1 Kron. 6:8, 6:10, 6:11, 6:20, 6:21);
  2. afstammeling van Efraïm-1, man van Hanna-1, vader van Samuel-1 (10x: 1 Sam. 1:1 +, 1 Kron 6:12, 6:19);
  3. afstammeling van Levi-1, inwoner van Jeruzalem-1 na terugkeer uit de ballingschap in Babel-2 (1 Kron. 9:16);
  4. afstammeling van Korach-3; sluit zich in Siklag aan bij David-1 (1 Kron. 12:7);
  5. bewaker bij het overbrengen van de verbondsark naar Jeruzalem-1 (1 Kron. 15:23);
  6. eerste functionaris bij koning Achaz-1 van Juda-4, gedood door Zichri-12 (2 Kron. 28:7)
[ ? ]

verwant: Hebreeuws-Nederlands (gangbare versie): Elkana(2) [ ? ]

Elkana (2)

afbreking: El·ka·na [ ? ]
herkomst: Hebreeuws-Nederlands (gangbare versie) [ ? ]
letterlijk: 'God heeft geschapen';  

 
  1. enkele Levieten-2, afstammend van Korach-3, horend tot de voorouders van Elkana-2, de vader van Samuel-1 (7x: Ex. 6:24, 1 Kron. 6:8, 6:10, 6:11, 6:20, 6:21);
  2. afstammeling van Efraïm-1, man van Hanna-1, vader van Samuel-1 (10x: 1 Sam. 1:1 +, 1 Kron 6:12, 6:19);
  3. afstammeling van Levi-1, inwoner van Jeruzalem-1 na terugkeer uit de ballingschap in Babel-2 (1 Kron. 9:16);
  4. afstammeling van Korach-3; sluit zich in Siklag aan bij David-1 (1 Kron. 12:7);
  5. bewaker bij het overbrengen van de verbondsark naar Jeruzalem-1 (1 Kron. 15:23);
  6. eerste functionaris bij koning Achaz(2)-1 van Juda-4, gedood door Zichri(2)-12 (2 Kron. 28:7)
[ ? ]

verwant: Hebreeuws (transcriptieversie): Elkana [ ? ]

© SHJ Stichting Hebreeuwse en Jiddisje woorden in het Nederlands, 2010-