eloel

afbreking: eloel, eloel [ ? ]
  [uitspraak: èloel] [ ? ]
herkomst: Hebreeuws (transcriptieversie) [ ? ]

  zesde maand van het joodse jaar, in augustus-september (Neh. 6:15); twaalfde maand bij telling vanaf Rosj Hasjana [ ? ]

verwant: Hebreeuws-Nederlands (gangbare versie): elul [ ? ]

© SHJ Stichting Hebreeuwse en Jiddisje woorden in het Nederlands, 2010-