Falasja

afbreking: Fa·la·sja [ ? ]
  [uitspraak: Falàsja] [ ? ]
lidwoord: de  
meervoud: Fa·là·sja's
[uitspraak: Falàsja's]
 
herkomst: Ethiopisch/Hebreeuws [ ? ]
letterlijk: 'migrant, balling';  

  Ethiopische jood [ ? ]

spelling: Groene Boekje 2005: Falasha('s)  

© SHJ Stichting Hebreeuwse en Jiddisje woorden in het Nederlands, 2010-