farizeïsch

afbreking: fa·ri·ze·ïsch [ ? ]
vorm op -e: fa·ri·ze·ï·sche  
herkomst: Hebreeuws-Nederlands [ ? ]

 
  1. van de farizeeën;
  2. als (van) een farizeeër, schijnheilig
[ ? ]

© SHJ Stichting Hebreeuwse en Jiddisje woorden in het Nederlands, 2010-