hachelen, achelen

afbreking: ha·che·len, ache·len [ ? ]
vervoeging: ha·chel·de. ge·ha·cheld, achel·de, ge·a·cheld  
herkomst: Bargoens [ ? ]

  eten [ ? ]

spelling: 'hachelen, achelen' is een taalvariant (zie help 7.1.5)  

© SHJ Stichting Hebreeuwse en Jiddisje woorden in het Nederlands, 2010-