hagada

afbreking: ha·ga·da [ ? ]
  [uitspraak: hağada] [ ? ]
lidwoord: de  
meervoud: ha·ga·dot
[uitspraak: hağadot]
 
herkomst: Hebreeuws [ ? ]

  bekorting van: hagada sjel Pesach [ ? ]

verwant: Jiddisj: hagode [ ? ]

© SHJ Stichting Hebreeuwse en Jiddisje woorden in het Nederlands, 2010-