Hagar

Hagar (1)

afbreking: Ha·gar [ ? ]
  [uitspraak: Hağar] [ ? ]
herkomst: Hebreeuws (transcriptieversie) [ ? ]

  Egyptische slavin van Sara-1, de vrouw van Abraham-1, moeder van zijn zoon Ismaël-1 (12x: Gen. 16:1 +; Griekse vorm 2x in NT) [ ? ]

verwant: Hebreeuws-Nederlands (gangbare versie): Hagar(2) [ ? ]

Hagar (2)

afbreking: Ha·gar [ ? ]
herkomst: Hebreeuws-Nederlands (gangbare versie) [ ? ]

  Egyptische slavin van Sara(2)-1, de vrouw van Abraham-1, moeder van zijn zoon Ismaël-1 (12x: Gen. 16:1 +; ook 2x in NT) [ ? ]

verwant: Hebreeuws (transcriptieversie): Hagar [ ? ]

© SHJ Stichting Hebreeuwse en Jiddisje woorden in het Nederlands, 2010-