Hanna

afbreking: Han·na [ ? ]
herkomst: Hebreeuws-Nederlands (gangbare versie) [ ? ]

 
  1. vrouw van Elkana(2)-2, moeder van Samuel-1 (13x: 1 Sam. 1:2 +);
  2. vrouwelijke voornaam
[ ? ]

verwant: Hebreeuws (transcriptieversie): Chana, Channa [ ? ]
spelling: spelling elders: Anna  

© SHJ Stichting Hebreeuwse en Jiddisje woorden in het Nederlands, 2010-