Haran

Haran (1)

afbreking: Ha·ran [ ? ]
herkomst: Hebreeuws (transcriptieversie) [ ? ]

 
  1. broer van Abraham-1, vader van Lot (6x: Gen. 11:26 +);
  2. afstammeling van Levi-1, nakomeling van Gerson, zoon van Simi-1 (1 Kron. 23:9)
[ ? ]

verwant: Hebreeuws-Nederlands (gangbare versie): Haran(2) [ ? ]
zie ook: Charan  

Haran (2)

afbreking: Ha·ran [ ? ]
herkomst: Hebreeuws-Nederlands (gangbare versie) [ ? ]

 
  1. broer van Abraham-1, vader van Lot (6x: Gen. 11:26 +);
  2. afstammeling van Levi-1, nakomeling van Gerson, zoon van Simi-1 (1 Kron. 23:9)
[ ? ]

verwant: Hebreeuws (transcriptieversie): Haran [ ? ]
zie ook: Charan(2)  

© SHJ Stichting Hebreeuwse en Jiddisje woorden in het Nederlands, 2010-