Hazaël

afbreking: Ha·za·ël [ ? ]
herkomst: Hebreeuws-Nederlands (gangbare versie) [ ? ]
letterlijk: 'God heeft (ernaar) gekeken';  

  opvolger van koning Benhadad-2 van Aram(2)-2, gezalfd door Elia(2)-1 (23x: 1 Kon. 19:15 +, 2 Kon. 8:9 +, Am. 1:4, 2 Kron. 22:5 +) [ ? ]

verwant: Hebreeuws (transcriptieversie): Chazaëel [ ? ]

© SHJ Stichting Hebreeuwse en Jiddisje woorden in het Nederlands, 2010-