heichol

afbreking: hei·chol [ ? ]
lidwoord: het  
meervoud: hei·cha·lous  
herkomst: Asjkenazisch Hebreeuws [ ? ]

 
  1. tempel;
  2. ark (kast in de synagoge met de Torarollen)
[ ? ]

verwant: Hebreeuws: hechal [ ? ]

© SHJ Stichting Hebreeuwse en Jiddisje woorden in het Nederlands, 2010-