Henoch

afbreking: He·noch [ ? ]
herkomst: Hebreeuws-Nederlands (gangbare versie) [ ? ]
letterlijk: 'ingewijd';  

 
  1. zoon van Kaïn-1, vader van Irad (Gen. 4:17, 4:18);
  2. stad die Kaïn bouwt, genoemd naar zijn zoon (Gen. 4:17);
  3. nakomeling van Set, zoon van Jered, een van de oudvaders tussen Adam(2)-1 en Noach-1 (6x: Gen. 5:18 +; ook 3x in NT);
  4. kleinzoon van Abraham-1, zoon van Midjan(2) (Gen. 25:4, 1 Kron. 1:3, 1:33);
  5. eerste van de vier zonen van Ruben-1 (Gen. 46:9, Ex. 6:14, Num. 26:5, 1 Kron. 5:3)
[ ? ]

verwant: Hebreeuws (transcriptieversie): Chanoch [ ? ]

© SHJ Stichting Hebreeuwse en Jiddisje woorden in het Nederlands, 2010-