Hosea

afbreking: Ho·sea [ ? ]
herkomst: Hebreeuws-Nederlands (gangbare versie) [ ? ]
letterlijk: '(de Heer) helpt/redt';  

 
  1. afstammeling van Efraïm-1, zoon van Nun; latere namen: Jozua-1, Jesua-7 (Num. 13:8, 13:16, Deut. 32:44);
  2. zoon van Ela, laatste koning van het noordrijk Israël-4 (8x: 2 Kon. 15:30 +);
  3. zoon van Beëri, profeet in het noordrijk Israël-4 in de tijd van koning Jerobeam-2 van Israël-4; zijn woorden staan in een naar hem genoemd Bijbelboek (Hos. 1:1, 1:2);
  4. een van de hoofden van het volk die zich na terugkeer uit de ballingschap in Babel-2 verbinden om de Tora te onderhouden (Neh. 10:24);
  5. zoon van Azazjahu, hoofd van de stam Efraïm-2 (1 Kron. 27:20);
  6. een van de kleinere profetische boeken van het OT
[ ? ]

verwant: Hebreeuws (transcriptieversie): Hosjea [ ? ]
spelling: spelling elders: Osee  

© SHJ Stichting Hebreeuwse en Jiddisje woorden in het Nederlands, 2010-