hoteldebotel

afbreking: ho·tel·de·bo·tel [ ? ]
  [uitspraak: hotəldəbotəl] [ ? ]
herkomst: Bargoens [ ? ]

 
  1. in de war, van streek, stapelgek;
  2. smoorverliefd
[ ? ]

© SHJ Stichting Hebreeuwse en Jiddisje woorden in het Nederlands, 2010-