ibbel, iebel

afbreking: ib·bel, ie·bel [ ? ]
herkomst: Jiddisj [ ? ]

 
  1. naar, misselijk;
  2. kregel
[ ? ]

spelling: 'ibbel, iebel' is een taalvariant (zie help 7.1.5)  

© SHJ Stichting Hebreeuwse en Jiddisje woorden in het Nederlands, 2010-