Imanoe El, Imanoeël

afbreking: Ima·noe El, Ima·noe·ël [ ? ]
  [uitspraak: Iema·noe Eel, Iema·noeëel] [ ? ]
herkomst: Hebreeuws (transcriptieversie) [ ? ]
letterlijk: 'God met ons';  

  kind (uit het huis van David-1) dat de Heer in het vooruitzicht stelt in woorden tot koning Achaz-1 van Juda-4 (Jes. 7:14, 8:8, 8:10) [ ? ]

verwant: Hebreeuws-Nederlands (gangbare versie): Immanuel, Emmanuel [ ? ]
spelling: 'Imanoe El, Imanoeël' is een weergavevariant (zie help 7.1.5)  

© SHJ Stichting Hebreeuwse en Jiddisje woorden in het Nederlands, 2010-