Israëlitisch

afbreking: Is·ra·ë·li·tisch [ ? ]
vorm op -e: Is·ra·ë·li·ti·sche  
herkomst: Hebreeuws-Nederlands [ ? ]

 
  1. joods;
  2. van of betrekking hebbend op het Bijbelse volk Israël
[ ? ]

spelling: spelling elders: Israëlietisch, Israelitisch  

© SHJ Stichting Hebreeuwse en Jiddisje woorden in het Nederlands, 2010-