Issachar

afbreking: Is·sa·char [ ? ]
herkomst: Hebreeuws-Nederlands (gangbare versie) [ ? ]
letterlijk: volgens Gen. 30:18 'God beloont';  

 
  1. negende van de twaalf zonen van aartsvader Jakob-1; moeder is Lea(2)-1 (o.a. Gen. 30:18, nr. 1-3: 42x, zie nr. 3);
  2. uit hem voortgekomen stam van Israël-2 (o.a. Num. 1:29, nr. 1-3: 42x, zie nr. 3);
  3. gebied van deze stam, ten zuidwesten van het Meer van Kinneret (o.a. Recht. 5:15, nr. 1-3: 42x: Gen. 30:18 +, Ex. 1:3, Num. 1:8 +, Deut. 27:12 +, Joz. 17:10 +, Recht. 5:15 +, 1 Kon. 4:17 +, Ez. 48:25 +, 1 Kron. 2:1 +, 2 Kron. 30:18);
  4. zevende zoon van Obed-Edom-2, Leviet-2, poortwachter (1 Kron. 26:5)
[ ? ]

  Issachar  
verwant: Hebreeuws (transcriptieversie): Jisachar [ ? ]

© SHJ Stichting Hebreeuwse en Jiddisje woorden in het Nederlands, 2010-