Jaäkov

afbreking: Ja·ä·kov [ ? ]
  [uitspraak: Jà·à·kov] [ ? ]
herkomst: Hebreeuws (transcriptieversie) [ ? ]
letterlijk: '(God) bescherme/beschermt', volgens Gen. 25:26 verband met 'hiel';  

 
  1. derde van de drie aartsvaders, zoon van Isaak-1 en Rebekka-1, tweelingbroer van Esau-1, vader van twaalf zonen; andere naam die hij ontvangt na een worsteling met een godsman bij de Jabbok: Israël-1; begraven in de grot van Machpela (o.a. Gen. 25:26, 32:28; nr. 1-2: 350x, zie nr. 2);
  2. het uit hem voortgekomen volk, en gebied van dit volk (o.a. Num. 24:19; nr. 1-2: 350x: Gen. 25:26 +, Ex. 1:1 +, Lev. 26:42, Num. 23:7 +, Deut. 1:8 +, Joz. 24:4 +, 1 Sam. 12:8, 2 Sam. 23:1, 1 Kon. 18:31, 2 Kon. 13:23 +, Jes. 2:3 +, Jer. 2:4 +, Ez. 20:5 +, Hos. 10:11 +, Am. 3:13 +, Ob. 10 +, Mi. 1:5 +, Nah. 2:3, Mal. 1:2 +, Ps. 14:7 +, Klaagl. 1:17 +, 1 Kron. 16:13 +; Griekse vorm 27x in NT);
  3. mannelijke voornaam; variant: Joppe(2)
[ ? ]

verwant: Hebreeuws-Nederlands (gangbare versie): Jakob;
Jiddisj: Jankev
[ ? ]
zie ook: Een Jaäkov, Zichron Jaäkov, Zichron Ja'akov  

© SHJ Stichting Hebreeuwse en Jiddisje woorden in het Nederlands, 2010-