Jachien

afbreking: Ja·chien [ ? ]
herkomst: Hebreeuws (transcriptieversie) [ ? ]
letterlijk: '(de Heer) vestigt';  

 
  1. zoon van Simeon-1; andere naam: Jarib (Gen. 46:10, Ex. 6:15, Num. 26:12);
  2. een van de pilaren in de tempel van Salomo-1 (1 Kon. 7:21, 2 Kron. 3:17);
  3. priester die hoort tot de nieuwe inwoners van Jeruzalem-1 (Neh. 11:10, 1 Kron. 9:10);
  4. priester, hoofd van de twaalfde priestergroep (1 Kron. 24:17)
[ ? ]

verwant: Hebreeuws-Nederlands (gangbare versie): Jachin [ ? ]

© SHJ Stichting Hebreeuwse en Jiddisje woorden in het Nederlands, 2010-