Jaël, Jaëel

afbreking: Ja·ël, Ja·ëel [ ? ]
herkomst: Hebreeuws (transcriptieversie) [ ? ]
letterlijk: 'geit';  

 
  1. vrouw van Cheber; doodt de Kanaänitische legeraanvoerder Sisera-1 met een tentpin (6x: Recht. 4:17 +);
  2. vrouwelijke voornaam
[ ? ]

verwant: Hebreeuws-Nederlands (gangbare versie): Jaël [ ? ]
spelling: 'Jaël, Jaëel' is een weergavevariant (zie help 7.1.5)  

© SHJ Stichting Hebreeuwse en Jiddisje woorden in het Nederlands, 2010-