Jechezkel, Jechezkeel

afbreking: Je·chez·kel, Je·chez·keel [ ? ]
  [uitspraak: Jəchezkeel] [ ? ]
herkomst: Hebreeuws (transcriptieversie) [ ? ]
letterlijk: 'God geve sterkte';  

 
  1. zoon van Buzi, priester, een van degenen die worden weggevoerd naar Babel-2, profeet in Babel-2; zijn woorden staan in een naar hem genoemd Bijbelboek (Ez. 1:3, 24:24);
  2. priester, hoofd van de twintigste priestergroep (1 Kron. 24:16);
  3. een van de drie grote profetische boeken van het OT;
  4. mannelijke voornaam (ook met uitspraak [Jechezkel])
[ ? ]

verwant: Hebreeuws-Nederlands (gangbare versie): Ezechiël, Jechezkel [ ? ]
spelling: 'Jechezkel, Jechezkeel' is een weergavevariant (zie help 7.1.5)  

© SHJ Stichting Hebreeuwse en Jiddisje woorden in het Nederlands, 2010-